2008 | Restauratie orgel Altenesch, Duitsland

2008 | Altenesch

Ev.-luth. Kirche St. Gallus

Orgel van Georg Wilhelm Wilhelmy (Stade) 1795.

 

Gerestaureerd door Orgelmakerij van der Putten (Finsterwolde/NL), 2008.

I. Hauptwerk (CD–c³)

Principal 8′

Quinta Dena 16′

Gedackt 8′

Octav 4′

Quinta 3′

Octav 2′

Mixtur 4f.

Trompete 8′

Koppel II–I

II. Brustwerk (CD–c³)

Quinta Dena 8′

Octav 4′

Flöte 4′

Sesquialtera 2f.

Dulcian 8′

Tremulant

Pedal (CD–d¹)

Octav 8′

Octav 4′

Posaune 16′

Trompete 8′

Subbass 16′ (op aparte nieuwe windlade)

Pedalkoppel

Drie Afsluitventielen.

Stemming a¹ = 484 Hz („ Stader Tonhoogte “), volgens Young 1/6 Komma.

Mechanische sleepladen.

Verslag van de restauratie door de orgelmaker.

Om een orgel te restaureren moet men de maker van het instrument leren kennen en een verwantschap met hem opbouwen om zijn sterke en zwakke kanten te leren kennen en zijn werkwijze te begrijpen. In dit geval, met Georg Wilhelm Wilhelmy, is dat moeilijk omdat er maar weinig van zijn werk overgebleven is. Wij hebben veel genoegen beleefd aan de uitdaging gedurende 1 ½ jaar als ontdekkingsreizigers bezig te zijn en hebben daar veel door geleerd.

Wij troffen, bij de aanvang van onze werkzaamheden, een volledig leeggehaalde orgelkas aan vanwege de kerkrestauratie. In een nabijgelegen boerenschuur was het pijpwerk opgeslagen. We vonden nesten van muizen in de kisten waar de kleinere pijpen in lagen. Hierdoor hebben wij het orgel nooit in ongerestaureerde toestand kunnen beluisteren. Desondanks waren we direct enthousiast over dit instrument dat als een uiterst fraai kleinood in de kerk boven het altaar staat.

Wij hadden een heel simpele opdracht om het orgel met alle originele delen te restaureren en alle moderne technische mechanieken, windvoorziening en pijp -delen te verwijderen en reconstructie van deze zaken in de stijl van Wilhelmy. Hiervoor kregen wij uitstekend voorbereid archiefmateriaal over de werkzaamheden aan het orgel in de afgelopen eeuwen en het oorspronkelijk contract uit 1794. Bovendien werd ons een kartonnen doos overhandigd waar overgebleven materiaal van Wilhelmy in zat, dat in 1969 niet gebruikt werd; namelijk een oude pijpvoet en al het tongmateriaal van de manuaaltrompet 8’ en de Posaune 16’. Ook in de kas vonden we genoeg aanknopingspunten voor de oorspronkelijke situatie. Een grote hoeveelheid gegevens die tegelijk weer veel vragen opriepen.

Omdat dit orgel in Altenesch het enige grotendeels origineel gebleven instrument van Georg Wilhelm Wilhelmy is, was het noodzakelijk om andere orgels te bestuderen waar hij aan gewerkt heeft, of die zijn zoon Georg gemaakt heeft. Ten eerste was dat het Schnitger orgel in Grasberg, dat Georg Wilhelm van Hamburg naar Grasberg verplaatste en vergroot heeft, het orgel in Ringstedt waar zich nog pijpen van Georg Wilhelm bevinden en het orgel in Kehdingbruch dat door zijn zoon Georg in 1816/17 gemaakt werd en in Steinau uit 1839. Voor detailonderzoek hebben we nog pijpen van Witzman in Zetel bekeken en registerknoppen uit Neuenkirchen (Landkreis Hadeln) vergeleken. We hebben de orgels van zijn halfbroer en leermeester in Hessen niet bezocht, maar in telefoongesprekken met de heer Späth van de orgelmakers Mebold hebben we waardevolle informatie gekregen.

Bijzonder gelukkig waren we over de vondst van Tobias Schmidt, die een foto van de claviatuur situatie uit 1967 kon ontdekken. Later hebben we ook nog het front bekeken van het orgel in Visselhövede van Georg Wilhelm Wilhelmy uit 1779/80.

Door de bestudering van deze andere instrumenten kregen we een goed beeld van de eigenaardigheden van de vader Wilhelmy en dat de zoon consequent in de stijl van zijn vader doorwerkte. Veel kleine details die typisch voor de vader zijn worden in het orgel te Steinau 46 jaar later precies zo uitgevoerd. Zowel zoon als vader waren uiterst conservatief, er werden geen vernieuwingen in dispositie of werkwijze toegepast. Ook de ontbrekende Cis op alle klavieren, de hoge stemtoon: a=484 Hz en de wat kleine klavieromvang van C-c’’’ zijn erg ouderwets.

Eerst hebben we een uiterst precieze documentatie gemaakt van de aangetroffen situatie en met foto’s vastgelegd hoe het orgel voor de restauratie eruitzag. Daarna zijn alle delen die zonder beschadiging gedemonteerd konden worden naar onze werkplaats te Finsterwolde vervoerd.

De kas was zozeer met het gewelf erboven verbonden, dat een verantwoorde demontage niet mogelijk was. In de kas werden losgeraakte delen weer vastgezet en ontbrekende stukken aangeheeld. Een raadsel bleef het waarom achter de vazen bij de tussenvelden in het front zich nog ander snijwerk bevindt. Wij vermoeden dat tijdens de bouw de smaak zich veranderde in classicistische richting.

Op de werkplaats zijn we begonnen met de restauratie van de windladen. Alle sponsels werden voorzichtig met spiritus losgemaakt en met leervoegen vanwege de werking gerepareerd en ingelijmd. Daarna werden de windladen vlak geschaafd en met leder aan de bovenzijde bekleed, zoals Wilhelmy dat ook deed. De windladen van hoofd- en borstwerk waren al eerder gedeeltelijk gerestaureerd, maar de pedaallade was nog in originele situatie en kon daardoor als voorbeeld gebruikt worden. Al het oude leer werd vervangen en de nodige stiften werden opnieuw van messing vervaardigd. De slepen en de stokken konden zonder grote ingrepen gebruikt worden. Aan de hand van tekensporen op de stokken kon de originele pijpopstelling gereconstrueerd worden.

De registermechaniek bleek grotendeels origineel te zijn en werd op alle draaipunten gecontroleerd en bijgewerkt. De speel traktuur moest volledig nieuw gemaakt worden. Hiervoor hebben we Steinau als voorbeeld genomen. In het bijzonder moeten hierbij de dunne eikenhouten hoekverbindingen en het walsbord als raamwerk waarop de walsen zijn gemonteerd. Deze werkwijze heeft Wilhelmy blijkbaar uit Hessen meegenomen.

Een prachtig deelproject was de reconstructie van de klavieren en speeltafel. Door de ontdekte foto uit 1967 konden vele details eenduidig opgelost worden. Natuurlijk bleven er ook zaken onduidelijk zoals de duidelijk donkere frontons. Dezen hebben wij naar Grasberg gereconstrueerd. De proporties van de klavieren zijn naar Steinau gemaakt, omdat wij in de gelegenheid gesteld werden de originele klavieren mee naar onze werkplaats te nemen. Deze zijn door de firma Hillebrand bij de restauratie niet herplaatst omdat deze technisch niet meer bruikbaar waren.

Voor de registerbeschriftingen hebben we ook Steinau als voorbeeld genomen omdat alle andere aanwijzingen niet tot een goed resultaat bleken te leiden.

Ook de balgen moesten volledig opnieuw gemaakt worden. Er waren nog belangrijke delen van de draagconstructie die wederom gebruikt en aangevuld werden. In het oude contract staan de maten van de balgen vermeld: 8 ½ voet bij 4 voet. Als we deze maten naar de huidige voetmaat uitzetten kunnen deze wat betreft de beschikbare ruimte niet geplaatst worden. Daarom hebben we ze in verhouding verkleind. De motor staat boven het orgel op de koepelzolder en voedt alle drie balgen.

Achter de balgen staat nu het register Subbaß 16’, dat waarschijnlijk een toevoeging van Schmidt uit Oldenburg is en op de plaats van de Trompet 8’ op de pedaallade stond. Daar kon de Subbaß vanwege de reconstructie niet blijven; de organiste was er echter zeer aan gehecht zodat we er een nieuwe plek voor vonden waar het de oorspronkelijke orgelaanleg niet stoort.

De historische Wilhelmy pijpen werden schoongemaakt, uitgedeukt en verlengt. De pijpen van de hoogste tonen h’’ en c’’’moesten overal bijgemaakt worden omdat in 1969 alle pijpen opgeschoven waren om het orgel op de normale toonhoogte a=440 Hz te krijgen. Daartoe werden de drie laagste tonen met pijpen uit modern metaal bijgemaakt en de twee hoogste tonen verwijderd. Wilhelmy heeft volgens de Stader traditie het orgel twee halve tonen hoger als heden ten dage gebruikelijk gemaakt. Nu klinkt het orgel weer op de oorspronkelijke toonhoogte. Dit stelt de organist voor de opgave sommige liederen te transponeren, omdat de gemeente vandaag den dag niet meer zo hoog zingt. Ook zal het samenspelen met andere instrumenten eisen stellen omdat deze vaak op 440 Hz gebaseerd zijn. Maar omdat de toonhoogte wezenlijk is voor de klank van dit historische instrument moeten deze problemen op de koop toegenomen worden.

Ontbrekende registers werden van bijpassend materiaal nieuw gemaakt. Om het juiste pijpmateriaal te kunnen gieten hebben we van tevoren een analyse van het voetmateriaal laten maken dat we in de kartonnen doos hadden aangetroffen. Dit metaal bevatte naast ongeveer 20% tin en 80% lood ook een behoorlijk deel antimoon en koper. Dit hebben we met hulp van klokkengieter Simon Laudy erbij gelegeerd, een unicum en première voor onze werkplaats. Het moeilijkste was een geringe hoeveelheid antimoon te kopen omdat dit metaal meestal per ton verkocht wordt.

Wilhelmy heeft de maatverhoudingen (mensuren) bij het pijpenmaken heel eenvoudig zonder veel variaties toegepast. Dit maakte het uitzoekwerk voor de reconstructie van de registers Principal 8’, Sesquialtera II en de Trompet 8’ voor het pedaal heel makkelijk. Alleen voor de Dulcian 8’ kon geen passend voorbeeldregister uit de directe omgeving van Wilhelmy gevonden worden en daarom kozen we voor de Dulcian van Bielfelt uit Scharmbeck, die een korte bekerlengte heeft in de bas en toch goed grondtonig is.

Verder werden het nieuwe groot octaaf van de Quintadena 16’ en de houten bekers van de Posaune 16’, die wij in zink hadden aangetroffen, gereconstrueerd. De mensuren van de houten bekers uit Grasberg (ook Wilhelmy) werden ons zeer collegiaal door Bernardt Edskes ter beschikking gesteld.

Simon Laudy heeft het calcantenklokje voor ons gegoten naar het voorbeeld van het klokje in het Rohlfs orgel in Burhafe uit hetzelfde bouwjaar 1795.

Tijdens het werkplaatsbezoek van de gemeente Altenesch hebben velen het gieten van het klokje kunnen meemaken. Ook werd voor hun ogen een pijp gemaakt en een plaat orgelmetaal gegoten.

Op deze dag was ook onze drie maanden oude zoon Johannes voor het eerst op de werkplaats. Zijn geboorte heeft er ook voor gezorgd dat ik niet volledig aan de restauratie kon meewerken. Daarom ben ik ook bijzonder dankbaar aan Winold van der Putten en de medewerkers Willem Jan Hoevers en Wim Dijkstra, die zich bovenmate hebben ingezet voor dit project en daarom de erenaam “onze Wilhelmy’s” gekregen hebben.

Met raad en daad heeft Norbert Müller uit Delmenhorst ons ter zijde gestaan. Hij heeft de pijpen gedocumenteerd en op alle gebied meegedacht en geholpen om problemen het hoofd te bieden. Natuurlijk zijn we de adviseur Jürgen Löbbecke uit Warnstedt uiterst dankbaar.

De plezierige samenwerking met de gemeente heeft ons zeer getroffen en is niet altijd vanzelfsprekend. Hier danken wij de betrokken organiste Elfriede Schäl, de voorzitter van de orgelcommissie Tobias Schmidt en de voorzitter van de kerkenraad Edith Look hartelijk voor, evenals de onvermoeibare kosteres en de heren Vetter en Scherge zonder wie de balgen misschien nooit in de kleine nis achter het orgel geplaatst konden worden.

Nu moeten we ons tot slot de vraag stellen: Zijn we bevriend geraakt met Georg Wilhelm Wilhelmy?

We hebben hem goed leren kennen zowel in zijn sterke als zwakke kanten, zijn kracht en zijn ontoegankelijkheid. De problemen met de beperkte hoogte tussen klavieren en de windlade van het borstwerk en de wat minimale ruimte voor pedaalpijpen en de windvoorziening moesten hij evenals wij oplossen. Hij was zuinig met materiaal, zowel wat hout als wat orgelmetaal betreft.

Het zou overdreven zijn om te zeggen dat we vrienden werden maar hij heeft ons leven in deze periode verrijkt en wij dragen de ervaringen en kennis die wij met dit instrument kregen in de toekomst met ons mee.

Wij hopen dat dit orgel nog lang tot genoegen van organisten en gemeente functioneert.

Ingrid Noack

Reacties zijn gesloten.